Gilde SamenSpraak meer informatie voor begeleiders meer informatie voor coordinatoren meer informatie voor anderstaligen meer informatie voor geinteresseerden
home Begeleiders Coφrdinatoren Anderstaligen Nieuws vrijwilligerswerk, senioren, Nederlandse taal, integratie, anderstaligen

nieuwsbrief
Extranet

Nederlands als tweede taal (NT2)
Samen leven? Samen spreken!

Aansluiting op inburgeringscursussen
Het merendeel van de anderstaligen dat deelneemt aan Gilde SamenSpraak volgt een officiλle inburgeringscursus of heeft deze net afgerond. Een inburgeringscursus bestaat grotendeels uit lessen in de Nederlandse taal. Naast uitbreiding van hun Nederlandse woordenschat, vergroten de anderstaligen hun vaardigheden in lezen, spreken, schrijven en luisteren. Toch blijft spreekangst een veelvoorkomend probleem. Door de cursisten in kleine groepjes te laten werken en ze opdrachten te geven die hen interesseren, neemt de angst af en krijg je de anderstalige letterlijk aan de praat. Een manier die prima aansluit bij de SamenSpraak-methode!

Wat moeten cursisten na de inburgeringscursus (NT2) kunnen?
De vraag wat cursisten NT2 moeten kunnen aan het einde van de inburgeringcursus is op velerlei manieren beantwoord in uiteenlopende publicaties. Hierin is de taalvaardigheid beschreven die cursisten nodig hebben om zelfredzaam te zijn in de Nederlandse samenleving.
De einddoelstelling voor spreekvaardigheid komt hierop neer:

a. Vragen stellen, opmerkingen plaatsen en erop reageren.
b. Informatie geven:
• beschrijving van voorwerpen, situaties, proces, probleem, gebeurtenis, tekening;
• verslag van gevoerd gesprek, groepsbijeenkomst, uitgevoerde werkzaamheden, gelezen tekst/boek, van een radio- of televisieprogramma;
• boodschappen inspreken op een antwoordapparaat.
c. Aanwijzingen of advies geven: informatie over hoe wel of niet te handelen, routebeschrijving.
d. Deelnemen aan een gesprek, discussie of groepsbijeenkomst:
• gesprekken met ιιn of enkele partners (small talk, persoonlijke gesprekken, discussie, telefoongesprek);
• groepsgesprekken (small talk, vergadering, discussie, in een lessituatie).
e. Spreekbeurt houden.

Hieronder treft u een (deel) van de presentaties van Merel Borgesius (Onderlinge Taal b.v.) gehouden voor Gilde SamenSpraak:

1. Eerste Taal - Vreemde Taal - Tweede Taal
• Eerste taal = moedertaal
• Vreemde taal = het leren van de taal in een omgeving waar die taal niet gesproken wordt. Instructie is dus in de moedertaal.
• Tweede taal = het leren van een taal in een omgeving waar die taal ook wordt gebruikt, gesproken, geschreven.

2. NT2 = Nederlands als Tweede Taal
• Instructies over de taal worden ook gegeven in de tweede taal.
• Verwerven tweede taal lijkt op verwerven moedertaal.
• Fouten maken 'moet'.
• Verschillende stadia in het verwervingsproces. Voorbeelden:
– stille periode
– woordniveau
– zinsniveau
– tekstniveau
– ontdekken en toepassen van regels
• Veel taalaanbod
• Woordjes leren

3. Factoren die het taalverwervingsproces beοnvloeden
• Leeftijd
• Talent
• Motivatie (doel)
• Positief bewustzijn
• Vooropleiding
• Taalachtergrond
• Onderwijskwaliteit
• Taalcontact!!!

4. Uitgangspunten NT2 onderwijs
• Van receptief naar productief (eerst begrijpen)
• Betekenis is belangrijker dan vorm
• Communicatie staat voorop
• Taal aanbieden in een context
• Herhaling
• Veel en begrijpelijk aanbod
• Taalcursus koppelen aan een doel (bijvoorbeeld opvoeding, opleiding, werk)
• Welke (taal) vaardigheid heb je nodig om .....

5. Gestuurd en ongestuurd Leren
• Gestuurd leren doe je met behulp van de docent - met leermiddelen op school.
• Ongestuurd leren doe je door spontaan de taal te gebruiken, dagelijkse interactie met verschillende mensen.
• De NT2 docent is deskundig op het gebied van didactiek door opleiding en ervaring. Laat het 'gestuurde leren' aan de docenten over.
• Functionarissen zijn de 'professionals', de consulenten, trajectbegeleiders, enzovoort. Zij houden zich bezig met de maatschappelijke introductie.
• Vrijwilligers zorgen voor het sociale contact. Taal gebruiken, samen spreken = taal verwerven. Zij kunnen een grote rol spelen bij impliciet leren.

6. Welke niveaus in NT2
• Common European Framework Of References For Languages(CEF) = Europees referentiekader voor talenonderwijs en hanteert 6 niveaus verdeeld over 3 velden:
- A is beginnend taalgebruiker
- B is onafhankelijk taalgebruiker
- C is vaardig taalgebruiker
• A1 =  500 woorden productief
• A2 = 1000/2000 woorden
• B1 = werk of opleiding op bijv. een ROC
• B2 = naar MBO/HBO
• C1 = naar universiteit
• C2 = bijna 'native speaker'

7. Alfabetisering: ander soort niveau-indeling
• Bij alfabetisering onderscheid tussen de vaardigheden
– lezen/ schrijven
– spreken/luisteren/gespreksvaardigheid
• Met spreken/luisteren/gespreksvaardigheid is het mogelijk om een hoger niveau te halen dan met schrijven en lezen.

8. Toetsen en leermiddelen
• Toetsen: nivor, trajectoets, NT2 staatsexamen I en II, profieltoets, inburgeringsexamen
• Aparte vaardigheden:
- lezen
- schrijven,
- luisteren
- spreken
- gespreksvaardigheid
• Nieuw: portfolio. Map met “bewijzen” van (taal)vaardigheid i.p.v. toetsresultaten.

9. Hoog en laag opgeleiden
• Op de cursus wordt rekening gehouden met verschillende opleidingsachtergrond van de tweede taalleerders en met hun uitstroomdoelen
• Voorbeeld ROC: 6 profielen. Van 2 jaar basisschool tot universiteit in eigen land
• Alfabetisering: langzaam lerenden, snel lerenden, anders- alfabeten (kunnen lezen en schrijven in hun eigen taal)
• Bij elke groep worden verschillende methodes en een andere didactiek ingezet, andere aandachtspunten
• Hoog opgeleid: abstracter taalgebruik, sneller tempo, studievaardig, aandacht voor (grammatica) regels.
• Laag opgeleid: concreet, laag tempo, veel herhaling, niet te veel dingen in een keer, meer structuur, aandacht voor leren leren, leren door (na)doen
• Veel gebruikte algemene lesmethodes: IJsbreker, Breekijzer, Code Nederlands, Nieuwe buren, Zestien plus, 7/43 en Spreken bij de kop, Spreek actief!(alfabetisering)

10. Tips taalgebruik
• Tempo – praat niet te snel
• Laat    woord    grenzen    horen
• Spreek correct maar eenvoudig
• Gebruik niet teveel beeldspraak, figuurlijk taalgebruik is vaak verwarrend
• Verbeter niet te veel. Wijs niet op de fout maar herhaal de goede vorm. Geef positieve feedback.
• Ga niet teveel in op dubbele woordbetekenissen
• Gebruik verschillende “technieken”: gebaren, aanwijzen, beetpakken, handelingen voordoen-nadoen
• "Hoe concreter, hoe beter": gebruik visuele ondersteuning: foto's, echte materialen.
• Hou je tijdens gesprek aan ιιn onderwerp
• Zorg voor herhaling
• Bedenk dat taal verwerven tijd kost

11. Buitenschools Leren
• De taal ligt op straat. Gebruik folders, gratis kranten Metro en Spits, teksten op bushokjes, etalages.
• Taal steeds koppelen aan praktisch doel. Wanneer gebruik je het. Rollenspelen oefenen in reλle situaties en daarna in het echt uitvoeren.
• Woordenschat uitbreiden. Gele stickerbriefjes, zoek woorden met een s, rubriceer woorden rondom een thema, woordenschrift aanleggen.
• Kijk naar tv-programma’s, quizzen, jeugdjournaal, soaps.

12. Tips voor de uitspraak
• Articulatie = uitspraak klinkers-medeklinkers.
• Prosodie = woord- en zinsaccent, ritme, intonatie, tempo.
• Werken aan prosodie is het belangrijkst, met name tempo.
• Taalleerder op cassette opnemen.
• Ritmisch woorden en zinnen opzeggen met metronoom, handgeklap enz.(taalriedels maken)
• Oefenen met zinsaccent.
• Oefenen met vraagintonatie.